Taalverkenner

De Taalverkenner is een screeningsinstrument van Stichting Lezen & Schrijven dat is ontwikkeld door de Hogeschool van Amsterdam. Met dit instrument kan binnen ongeveer drie minuten worden vastgesteld of degene die de Taalverkenner maakt wellicht moeite heeft met lezen.

De Taalverkenner bestaat uit een korte leestekst met daarbij zes vragen. De cliënt moet de antwoorden zelf opschrijven en mag daarbij geen hulp krijgen. Als hij/zij een vraag niet begrijpt, mag die vraag niet worden toegelicht of worden versimpeld. Als degene die de Taalverkenner maakt 3 of minder vragen goed heeft, heeft deze persoon mogelijk moeite met lezen in het dagelijkse leven.

Voor wie is de Taalverkenner?

Gemeenten, bedrijven en zorginstellingen kunnen de Taalverkenner in de praktijk gebruiken om een indicatie te krijgen van het taalniveau van bijvoorbeeld cliënten, kandidaten voor cursussen, patiënten en bezoekers. Nader onderzoek moet uitwijzen of de respondent laaggeletterd is, maar de Taalverkenner kan al in drie minuten een indicatie geven over de leesvaardigheid van de persoon in kwestie. De Taalverkenner is gemaakt voor Nederlandssprekenden. Allochtone cliënten die redelijk begrijpelijk Nederlands spreken, kunnen de Taalverkenner ook maken.

Hoe werkt de Taalverkenner?

Het afnemen van de Taalverkenner is heel makkelijk. Ga hierbij als volgt te werk:

  1. Vraag de cliënt de tekst te lezen en daarna de vragen te beantwoorden. De cliënt moet de antwoorden zelf opschrijven en mag daarbij geen hulp krijgen. Als hij/zij een vraag niet begrijpt, mag die vraag niet worden toegelicht of worden versimpeld
  2. Het is van cruciaal belang dat de cliënt de tekst eerst leest voordat hij of zij de vragen gaat beantwoorden.
  3. De cliënt mag bij het beantwoorden van de vragen opnieuw naar de tekst kijken.
  4. Als de cliënt alle vragen heeft beantwoord, kijk je de tekst na. Hiervoor wordt een antwoordmodel meegeleverd. Kijk niet naar spellingfouten.
  5. Bespreek het resultaat met de cliënt. Vraag bij 0 tot en met 3 punten of de cliënt in het dagelijks leven ook moeite heeft met lezen en schrijven en in welke situaties dat voorkomt. Vraag of de cliënt wat aan de verbetering van zijn/haar taalvaardigheid wil doen. Check bij cliënten die 4 tot en met 6 punten scoren, of het klopt dat zij (meestal) geen moeite hebben met lezen en schrijven. Vooral bij cliënten die niet alle vragen goed hebben, is dit van belang. Wellicht is er ook bij hen een (onbewuste) behoefte hun taalvaardigheid te verbeteren.
  6. Als de cliënt grote moeite heeft met het lezen van de tekst en/of het beantwoorden van de vragen, laat hem/haar dan stoppen met het maken van de Taalverkenner.
  7. Bedenk dat op laaggeletterdheid een taboe rust. Laaggeletterden schamen zich vaak voor hun problemen met lezen en schrijven. Ze denken dat ze dom zijn en denken vaak dat zij de enige zijn in Nederland. Het is dus niet altijd makkelijk om het gesprek hierover op gang te krijgen. Vertel hen dat er in Nederland 1,3 miljoen laaggeletterden zijn! En: je kunt er iets aan doen.
  8. Verwijs cliënten die hun lees- en schrijfvaardigheden willen verbeteren door naar een taalcurus of een Taalpunt in de buurt. Een taalcursus kunt u vinden via de Taalzoeker of meld de deelnemer aan via Taal voor het Leven. Ook kan de client gratis bellen naar de Nationale Bellijn voor coaching en advies over taallessen.

Dit instrument is in opdracht van Stichting Lezen & Schrijven ontwikkeld door de Hogeschool van Amsterdam Kenniscentrum voor Maatschappelijke Innovatie en wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.

Aan de slag

Meer weten en met de Taalverkenner aan de slag? Neem contact op via info@lezenenschrijven.nl of 070 - 302 26 60.