Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen over laaggeletterdheid voor je op een rij.

Laaggeletterden zijn mensen die moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Vaak hebben zij ook moeite met omgaan met een computer. Zij beheersen het minimale niveau om volwaardig in de Nederlandse maatschappij te kunnen functioneren niet. Dat niveau is door de overheid vastgesteld op eindniveau VMBO of niveau mbo-2/3 (niveau 2F binnen de Standaarden en eindtermen volwassenen educatie).

2,5 miljoen Nederlanders zijn laaggeletterd. 

Bron: Aanpak Laaggeletterdheid, Algemene Rekenkamer (2016)

Het aantal analfabeten in Nederland bedraagt naar schatting 250.000 mensen. 

In tegenstelling tot laaggeletterden kunnen analfabeten (ongeletterden) helemaal niet lezen en schrijven. 

Laaggeletterdheid treft alle lagen van de bevolking, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren, werkenden en niet-werkenden. Op het laagste niveau van geletterdheid (IALS niveau 1) functioneert:

  • 42,3% van de mensen die de basisschool niet hebben voltooid
  • 16,2% van de werklozen
  • 9% van de beroepsbevolking
  • 5% van de jongeren tussen de 16 en 24 jaar
  • 21,5% van de mensen tussen 55 en 65 jaar

Bron: PIAAC, 2013.

Nee, maar de verschillen zijn minimaal. Daardoor kunnen we stellen dat overal in Nederland laaggeletterdheid een probleem is van vergelijkbare omgang met vergelijkbare gevolgen. Lees hier meer over de spreiding van laaggeletterdheid in Nederland. 

Van de 1,3 miljoen 16- tot 65-jarige laaggeletterden, weten we dat tweederde van Nederlandse afkomst is en eenderde van buitenlandse afkomst.

Laaggeletterdheid is in de meeste westerse landen een omvangrijk probleem. Zweden heeft het kleinste aantal laaggeletterden en Duitsland heeft iets minder laaggeletterden dan Nederland. De meeste andere Europese landen hebben meer laaggeletterden. In het Verenigd Koninkrijk is 23% van de bevolking laaggeletterd.
 

Op het werk:

  • formulieren invullen
  • e-mailen
  • schriftelijk rapporteren
  • veiligheidsinstructies lezen
  • een memo lezen

In het dagelijks leven:

  • formulieren invullen voor bijvoorbeeld zorgtoeslag, kinderopvang of huurtoeslag
  • straatnaamborden lezen
  • voorlezen aan (klein)kinderen
  • een (verjaardags)kaart schrijven
  • geld opnemen bij een pinautomaat
  • vertrektijden van de trein opzoeken
  • ondertitels lezen
  • een klachtenbrief schrijven
  • recepten uit een kookboek lezen
  • lezen en begrijpen van gezondheidstips, patiëntenfolders en bijsluiters van medicijnen

Laaggeletterden hebben vaak ook problemen met rekenen en digitale vaardigheden. Voor wie niet goed kan lezen en schrijven, zijn dit soort vaardigheden ook moeilijker aan te leren. Verder hebben laaggeletterden doorgaans weinig vertrouwen in hun eigen leervermogen.

 

  • Laaggeletterden verbergen vaak dat ze laaggeletterd zijn. 
  • Laaggeletterden zijn onzeker door negatieve schoolervaringen.
  • Laaggeletterden hebben weinig vertrouwen in hun eigen leervermogen.
  • Laaggeletterden hebben strategieën ontwikkeld om te vermijden en te compenseren. Een goed geheugen helpt ze daarbij.
  • Laaggeletterden hebben met hun 'tekortkoming' leren leven, bijvoorbeeld door lees- en schrijftaken over te laten aan partner, kinderen, familie of vrienden.
  • Een veelgehoorde uitspraak is: ‘Ik kan wel lezen, maar ik begrijp alleen niet wat er staat.’ Niet alle laaggeletterden zien hun moeite met lezen en schrijven als een 'probleem'.

1): Het aantal pubers/jongeren met een taalachterstand is t.o.v. van 2003 en 2012 sterk toegenomen. Dit baart ons ernstige zorgen aangezien deze jongeren de laaggeletterde volwassenen zijn van de toekomst.
2): Ook lijkt er een stijgende lijn te zijn m.b.t. het aantal excellente studenten. Hierdoor wordt de kloof tussen jongeren met een taalachterstand en excellente jongeren alleen maar groter. 

PISA 2016. 

Laaggeletterdheid kost de maatschappij per jaar 556 miljoen euro. De gezondheidszorg kost bijvoorbeeld jaarlijks 127 miljoen euro. Werkloosheid 26 miljoen euro en gemiste belastingopbrengsten 144 miljoen euro.

Bron: PWC, 2013.

Nederlandse kinderen presteren bovengemiddeld ten opzichte van kinderen uit andere landen. Uit recent onderzoek blijkt echter dat Nederlandse kinderen steeds vaker gemiddeld presteren als het gaat om leesvaardigheid. Er zijn steeds minder echt goede lezers, terwijl het aantal gemiddelde en slechte lezers toeneemt. Vooral meisjes presteren slechter in vergelijking tot enkele jaren geleden. Voor een goede leesvaardigheid zijn twee zaken van groot belang: leesbevordering door de school en het stimuleren van leesplezier door de ouders. De school dient aandacht te besteden aan de leescultuur en ouders dienen kinderen van huis uit te stimuleren om te lezen. Kinderen geven aan minder vaak te willen lezen: slechts 58% leest thuis voor het plezier.

Bron: dr. Michael Martin en dr. Ina Mullis, Progress in International Reading Literacy Study, PIRLS, 2006.

Stichting Lezen & Schrijven is van start gegaan op 27 mei 2004. De stichting is een initiatief van H.K.H. Prinses Laurentien der Nederlanden. Zij was tot en met 2013 voorzitter van de stichting. In 2014 werd zij opgevolgd door voormalig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Marja van Bijsterveldt. Merel Heimens Visser is de directeur-bestuurder.

Organisaties en instanties kunnen zich op verschillende manieren aan de stichting verbinden: als lid, partner of donateur. Voor informatie kunt u contact opnemen met Karlijne Kuipers: karlijne@lezenenschrijven.nl of (0)70 302 26 65 

Organisaties en instanties kunnen zich op verschillende manieren aan de stichting verbinden: als lid, partner of donateur. Voor informatie: 070 302 26 60 of info@lezenenschrijven.nl.

A.  Als iemand les krijgt van een (taal)vrijwilliger die de training Taal voor het Leven heeft gehad.

B.  Als een organisatie gebruik maakt van door Taal voor het Leven ontwikkelde lesmaterialen.

Meer informatie? Lees hier verder.

A.  Als iemand een Taal voor het Leven basistraining heeft gevolgd.

     Dit kan pas als hij of zij is aangesloten bij een partnerorganisatie. 
     Het kan zijn dat de vrijwilliger op moment van cursus nog geen cursist begeleidt.

B.  Als iemand met voldoende voorkennis (bijvoorbeeld een (oud)docent of zeer ervaren vrijwilliger) verdiepende modules heeft gevolgd of een deel van de basistraining.

Meer informatie? Lees hier verder.