Eenvoudige taal voor laaggeletterden (Kennisblad)
Zorg ervoor dat iedereen je tekst begrijpt: schrijf in eenvoudige taal.
Steeds meer organisaties schrijven teksten op taalniveau B1. Dit kunnen de meeste mensen goed begrijpen. Maar voor mensen die moeite hebben met basisvaardigheden is een brief of folder op dit niveau te moeilijk. Zij hebben moeite met lezen, schrijven en/of rekenen.
Het is goed om ervoor te zorgen dat mensen die moeite hebben met basisvaardigheden informatie kunnen begrijpen. Daarom adviseren wij om voor deze doelgroep te schrijven op een lager niveau: namelijk A2/1F*. Om het makkelijk te maken om een tekst in eenvoudige taal te schrijven, is er een lijst met tips. Download hem hier!
De lezer
- Bedenk goed voor wie de tekst is bedoeld. Wie is jouw lezer?
- Bedenk wat je wil bereiken met de tekst. Wat wil je dat de lezer doet na het lezen van de tekst?
- Bedenk welke vragen de lezer kan hebben over het onderwerp van de tekst.
- Neem de lezer serieus. Eenvoudig en helder schrijven wil niet zeggen dat het kinderachtig mag zijn!
Tekststructuur
- Geef duidelijk het onderwerp van de tekst aan. Zet de belangrijkste boodschap bovenaan. Dus bovenaan de tekst en bovenaan elke alinea.
- Werk met een titel en tussenkoppen. Zorg dat informatie herkenbaar is geordend.
Voor het niveau van taalbeheersing worden verschillende aanduidingen gebruikt. Voor anderstaligen gebruiken we het Raamwerk NT2 (A1, A2, B1, B2, C1, C2). Voor Nederlandstaligen gebruiken we Referentieniveaus Taal en Rekenen (1F, 2F, 3F, 4F). Laaggeletterden zitten op niveau 1F of A2. Een leerling moet aan het einde van groep 8 minimaal niveau 1F beheersen om goed te kunnen overstappen naar het voortgezet onderwijs. Meer over de niveaus: www.lezenenschrijven.nl/eenvoudigetaal.
Kies voor korte tussenkopjes.
Of gebruik een korte vraag als tussenkopje. Bijvoorbeeld:
- Waarom krijgt u deze brief? - Wat moet u doen? - Heeft u nog vragen?
• Houd maximaal 5 alinea’s aan. • Alinea’s bestaan uit 2 tot 10 zinnen.
• Het aantal woorden per zin: maximaal 10, liever minder. • Gebruik opsommingstekens om een lange tekst overzichtelijk te make
Vorm
- Lettertype: groot en met ruimte, schreefloos (bijvoorbeeld Verdana of Helvetica).
- Lettergrootte: minimaal 12 punts
- Kleur: het beste zijn zwarte letters op een witte ondergrond. Werken met (verschillende) kleuren leidt onnodig af.
- Belangrijke en/of nieuwe informatie: vetgedrukt.
- Regelafstand: minimaal 1,5.
- Zinnen: onder elkaar en links uitlijnen.
- Zinnen: telkens op een nieuwe regel.
Zinsbouw
- Gebruik zo veel mogelijk de ‘vaste’
woordvolgorde van het Nederlands.
Onderwerp-persoonsvorm-lijdend voorwerp.- Wel: Hij woont heel graag in Amsterdam.
- Niet: In Amsterdam woont hij heel graag.
- Schrijf actieve zinnen.
- Wel: De directeur neemt morgen het besluit.
- Niet: Het besluit wordt morgen genomen door
de directeur.
- Houd de werkwoorden zo veel mogelijk bij
elkaar en dicht bij het onderwerp.- Wel: Zij nam het besluit gisteren in haar eentje.
- Niet: Zij heeft gisteren in haar eentje het besluit
genomen.
- Maak geen tangconstructies.
- Wel: De burgemeester komt ook op de
informatieavond. Hij vertelt over de nieuwe
school. U krijgt ook een filmpje over de nieuwe
school te zien. - Niet: Op de informatieavond, waar de
burgemeester de bewoners zal toespreken
over de nieuwe school, krijgt u ook een filmpje
te zien over het nieuwe schoolgebouw.
- Wel: De burgemeester komt ook op de
- Voorkom samengestelde zinnen. Maak er
losse zinnen van.- Wel: Vanaf 2 jaar kan een kind naar de
voorschool. De voorschool is er voor alle
kinderen. - Niet: De voorschool is er voor kinderen vanaf 2
jaar en is er voor alle kinderen.
- Wel: Vanaf 2 jaar kan een kind naar de
- Voorkom nominalisaties. Als je van een
werkwoord een zelfstandig naamwoord maakt, is
het niet meer duidelijk wie iets doet.- Wel: De gemeenteraad verwacht dat de bouw
nog dit najaar start. - Niet: De verwachting is dat de bouw nog dit
najaar start.
- Wel: De gemeenteraad verwacht dat de bouw
Woorden
- Gebruik woorden die je ook in een dagelijks
gesprek zou gebruiken. - Gebruik geen vaktaal. Moet je toch een
moeilijke term gebruiken? Leg die dan uit in de
tekst. - Gebruik woorden die goed passen binnen de
strekking van de tekst en de leefwereld van
de lezer. - Gebruik alleen (zeer) gangbare woorden.
- Wel: maar, want, als.
- Niet: daarentegen, immers, indien.
- Voorkom het gebruik van synoniemen.
Gebruik bijvoorbeeld alleen ‘tiener’ en niet ‘tiener’
en ‘puber’ door elkaar. Kies een woord. - Gebruik woorden met een eenduidige
betekenis. - Voorkom leenwoorden met een nietNederlandse opbouw. Zoals cadeau of
management. - Controleer of alle woorden nodig en duidelijk
zijn. - Voorkom uitdrukkingen en figuurlijk
taalgebruik.- Wel: Ze is heel erg boos.
- Niet: Ze kookt van woede.
- Schrijf getallen in cijfers.
- Wel: 11, 25, 100.
- Niet: elf, vijfentwintig, honderd.
- Let op met afkortingen. Schrijf liever de
woorden voluit.
Geschikte onderwerpen
Kijk op www.a-b-c.nu. Niet alle onderwerpen zijn te beschrijven in eenvoudige taal. Denk aan informatie waarbij veel vaktaal nodig is. Bijvoorbeeld een ingewikkelde medische of juridische procedure. Een gesprek voeren is dan beter. Geef na het gesprek begrijpelijke informatie op papier mee. En vraag jezelf altijd kritisch af of een tekst het juiste middel is. Soms werkt een video bijvoorbeeld beter
Ervaringsdeskundigen Sluiten jouw teksten goed aan op het niveau van laaggeletterden? Wil je graag dat ervaringsdeskundigen daarover meedenken? Informeer dan eens bij Stichting ABC. De Taalambassadeurs denken graag met je mee.
Kijk op www.a-b-c.nu.
Meer weten?
Neem contact op met een van onze adviseurs.
Haas de Groot
Adviseur- Mail Haas
- 06 46962325 06 46962325
Mariet Hattink
Adviseur- Mail Mariet
- 06 12886941 06 12886941